Wil je MCP-servers in een team delen, maak dan per toepassing een passend configuratiebestand: Visual Studio Code en de Copilot-harness gebruiken verschillende JSON-formaten. Een gedeelde bron kan helpen serverdefinities gelijk te houden, maar controleer ook welke functies elk formaat ondersteunt en test de server zelf.
Kies het juiste bestand voor VS Code of Copilot
MCP, het Model Context Protocol, laat AI-clients tools en andere servermogelijkheden gebruiken. Microsoft beschrijft aparte configuratieformaten voor VS Code en de draagbare Copilot-configuratie. De officiële MCP-configuratiereferentie van Microsoft vermeldt de volgende paden en instellingen:
| Formaat | Bestand voor de werkruimte | Bestand voor de gebruiker | JSON-hoofdsleutel | Variabelen |
| VS Code | .vscode/mcp.json | mcp.json in het gebruikersprofiel van VS Code | servers | ${env:NAME} |
| Draagbare Copilot-configuratie | .mcp.json in de hoofdmap van de werkruimte | $COPILOT_HOME/mcp-config.json, met ~/.copilot/mcp-config.json als terugvaloptie | mcpServers | ${NAME} of ${NAME:-default} |
De Copilot-harness leest het draagbare formaat rechtstreeks. VS Code kan geschikte servers uit zijn eigen configuratie doorgeven, maar stuurt servers met interactieve invoervelden zoals ${input:...} niet door. Een bestand dat in VS Code werkt, levert daardoor niet vanzelf dezelfde server op in een Copilot-harnesssessie.
Controleer welke functies je nodig hebt
Het draagbare formaat ondersteunt geen invoerprompts, envFile, ontwikkelmodus of sandboxinstellingen per server. Als een VS Code-configuratie daarop steunt, gaan die mogelijkheden niet mee naar het draagbare bestand. Behandel dat dus als een afzonderlijke uitvoer voor Copilot, niet als een volledige kopie van de VS Code-configuratie.
Let ook op de variabelen: VS Code gebruikt ${env:NAME}, terwijl draagbare bestanden ${NAME} of ${NAME:-default} gebruiken. In de VS Code MCP-client geldt een kale $NAME als letterlijke tekst. Dezelfde serverdefinitie vraagt daarom soms om een andere variabelereferentie per formaat.
Deel serverdefinities en controleer elke laag
Een praktische werkwijze voor teams:
- Bepaal welke clients de configuratie moeten gebruiken. Noteer of de server in VS Code, een Copilot-harnesssessie of beide nodig is. Dat bepaalt welke bestanden je maakt.
- Maak voor elk doel het bijbehorende formaat. Gebruik in het VS Code-bestand de sleutel
serversen in de draagbare configuratiemcpServers. Controleer de variabelen en vereiste mogelijkheden voor ieder bestand. - Controleer de bestanden afzonderlijk. Een tutorial van Tech Insider, gepubliceerd op 2 november 2026, beschreef een generator die configuraties voor meerdere clients maakt en controles uitvoert op JSON-syntaxis, hoofdsleutels, variabelenvormen, geheimachtige letterlijke waarden en overeenkomende servernamen. De auteur meldde dat zij de generator en controles op Linux uitvoerde.
- Test de server in de bedoelde client. Een structurele controle kan fouten in bestanden opsporen, maar toont niet aan dat een server start, verbinding maakt, zich authenticeert of de verwachte tools aanbiedt. De Tech Insider-auteur beschreef daarvoor een aparte test met MCP Inspector en een representatieve toolaanroep in elke client.
Cursor configureren in een beheerde werkruimte
Voor organisaties die Cursor-omgevingen centraal beheren, beschreef Coder een andere aanpak: de module van het bedrijf kan aangeleverde MCP-JSON bij het starten van een werkruimte naar ~/.cursor/mcp.json schrijven. Coder noemt Terraform-sjablonen als manier om die inrichting versiebeheerbaar te maken. Dit is een door Coder beschreven voorziening voor beheerde Cursor-werkruimten, geen generator voor VS Code en Copilot.