Microsoft beschreef op 7 oktober 2026 een plan om GitHub Copilot taken naar lokale modellen of cloudmodellen te laten routeren. Copilot Auto moet daarbij rekening houden met de taakcontext en de cache binnen een sessie met meerdere beurten; Microsoft noemde eind oktober 2026 als streefdatum.

Microsoft plant lokale en cloudroutering voor GitHub Copilot

Engelstalige aankondigingsvideo waarin GitHub de geplande routering van lokale modellen toelicht

De geplande routering draait om de keuze waar een taak wordt verwerkt. Een lokaal model draait op het apparaat; een cloudmodel verwerkt de taak op afstand. Microsoft beschrijft lokale modelkeuze voor Copilot CLI, de Copilot-app en Visual Studio Code. De mogelijkheden en vereisten verschillen per toepassing.

GitHub beschrijft in een aankondigingsvideo ook een plan om geïnstalleerde lokale modellen te ontdekken, bijvoorbeeld via Ollama en Microsoft Foundry Local. Eenvoudige verzoeken, uitleg over een codebase en achtergrondtaken zijn voorbeelden van werk dat volgens dat plan naar een lokaal model kan gaan. GitHub presenteerde lokaal rekenwerk daarbij als een manier om voor zulke taken geen AI-credits te gebruiken. Lokale inferentie vraagt wel rekenkracht en stroom van het eigen apparaat.

BYOK en Copilot Auto leggen de modelkeuze bij verschillende partijen

Bij BYOK, oftewel ‘bring your own key’, stelt de gebruiker zelf een provider in of kiest die een model. Copilot Auto is bedoeld om de keuze tussen lokale en cloudinferentie automatisch te maken. Microsoft zegt dat Auto daarvoor taakcontext en de cachetoestand tijdens een sessie met meerdere beurten meeweegt.

WerkwijzeWie kiest het model of de route?Gevolg voor de verbinding
BYOK of handmatige modelkeuzeDe gebruiker stelt een provider in of kiest een model.Een lokale provider verwerkt de modelaanvraag op het apparaat; een externe provider ontvangt verzoeken en codecontext via het netwerk.
Copilot AutoVolgens het plan kiest Copilot per taak tussen lokale en cloudinferentie.Omdat de route ook naar een cloudmodel kan leiden, is Auto geen offlinefunctie.

Wat GitHub documenteert voor lokale Copilot CLI-modellen

Voor Copilot CLI noemt GitHub de providertypen openai, azure en anthropic. De openai-provider werkt met endpoints die compatibel zijn met OpenAI Chat Completions, waaronder Ollama, vLLM en Foundry Local. Deze instellingen gelden voor Copilot CLI; ze zijn niet automatisch van toepassing op de Copilot-app of Visual Studio Code.

Een model voor Copilot CLI moet toolaanroepen en streaming ondersteunen. GitHub beveelt voor het beste resultaat een contextvenster van minstens 128k tokens aan; dat is een aanbeveling, geen harde minimumeis.

Voor een lokale Ollama-installatie gebruikt GitHub als voorbeeld http://localhost:11434 voor COPILOT_PROVIDER_BASE_URL. Met COPILOT_MODEL geef je de naam op van een model dat al is geïnstalleerd. Een API-sleutel is niet nodig als de lokale provider geen verificatie vereist.

Lokale inferentie betekent niet automatisch offline werken

De instelling COPILOT_OFFLINE=true voorkomt dat Copilot CLI verbinding maakt met GitHub. Een ingestelde externe modelprovider blijft echter een afzonderlijke netwerkbestemming en kan prompts en codecontext ontvangen. Om ook dat verkeer lokaal te houden, moet de provider lokaal draaien of zich in dezelfde afgeschermde omgeving bevinden.

Copilot Auto is evenmin bedoeld als garantie dat alles lokaal blijft: de geplande routering omvat ook cloudmodellen. Wie bepaalt waar een taak wordt verwerkt, waar de aanvraag naartoe gaat en welke toegang de tools hebben, zijn dus drie verschillende kwesties.

Modellocatie en tool-sandboxing zijn aparte controles

Een lokaal model schermt de tools van Copilot niet vanzelf af. Microsoft beschrijft verschillende grenzen voor verschillende soorten tools. Als sandboxing aanstaat, vallen shellopdrachten en standaard ook lokale MCP-processen en taalserverprocessen binnen de procesgrens. MCP staat voor Model Context Protocol.

De ingebouwde bestandstools worden binnen Copilot aan het geldende beleid getoetst; ze draaien niet als door het besturingssysteem geïsoleerde subprocessen. Externe MCP-servers vallen buiten de lokale processandbox. Wanneer MCP-sandboxregels voor zulke servers gelden, controleert Copilot het verbindingsbeleid binnen het proces.

De sandboxbackends die Microsoft per besturingssysteem noemt

BesturingssysteemBackend die Microsoft noemt
WindowsDe BaseContainer-laag van ProcessContainer via Microsoft Execution Containers (MXC)
macOSSeatbelt
Linuxbubblewrap

Microsoft zegt dat deze lokale backends geen aparte virtuele machine of containerimage nodig hebben.