Microsoft meldde op 8 oktober 2026 dat lokale modellen en sandboxtools voor Copilot worden uitgerold. De Auto-modus moet volgens het bedrijf tegen eind oktober taken tussen lokale en cloudinferentie routeren. In een eerder artikel over Microsofts hybride AI-strategie voor Windows stond de bredere aanpak centraal; deze uitleg gaat dieper in op modelkeuze en de grenzen van de sandbox.

Die twee zaken zijn niet hetzelfde: een model kan lokaal draaien terwijl agenttools afzonderlijke toegangsbeperkingen hebben. Microsoft beschreef de nieuwe opties voor Copilot CLI, de Copilot-app en Visual Studio Code.

BYOK en Auto verschillen in wie het model kiest

Bij BYOK (Bring Your Own Key) stelt de gebruiker zelf een modelprovider in of kiest die een model. De Auto-modus moet juist zelf bepalen of een taak lokale of cloudinferentie gebruikt. Microsoft beschreef daarnaast expliciete selectie van een lokaal model als aparte optie: MAI Code 1.1 Flash via Windows ML, of een lokaal model via een OpenAI-compatibel eindpunt.

ModusWie kiest of routeert het model?Beschreven Copilot-onderdelen
BYOKDe gebruiker configureert een provider of selecteert een model.Copilot CLI en Visual Studio Code
AutoCopilot moet taken automatisch tussen lokale en cloudinferentie routeren.Copilot CLI, de Copilot-app en Visual Studio Code

Voor Copilot CLI noemt GitHub de providertypen openai, azure en anthropic. Het type openai werkt ook met compatibele eindpunten, zoals Ollama. Het model moet toolaanroepen en streaming ondersteunen; voor de beste resultaten raadt GitHub een contextvenster van minstens 128.000 tokens aan.

Voor een lokale Ollama-server gebruikt de CLI bijvoorbeeld COPILOT_PROVIDER_BASE_URL=http://localhost:11434 en COPILOT_MODEL met de naam van het lokale model. Een API-sleutel is niet nodig als de lokale provider geen aanmelding vereist. In Visual Studio Code kun je via de modelkiezer naar Manage Language Models gaan en daar een provider of aangepast eindpunt toevoegen. Voor agentgebruik moet het model toolaanroepen ondersteunen; voor Ollama verwijst Visual Studio Code naar de officiële extensie, omdat de ingebouwde provider is verouderd.

Auto moet volgens Microsoft tijdens een gesprek met meerdere beurten rekening houden met de taakcontext en de cachetoestand. Daarmee verschilt de aangekondigde modus van BYOK: de gebruiker stelt bij BYOK de modelkeuze in, terwijl Auto de routering moet verzorgen.

Lokale inferentie betekent niet automatisch offline gebruik

In Visual Studio Code kan BYOK-chat met een lokaal model volgens de productdocumentatie volledig offline werken, zonder GitHub-account of Copilot-abonnement. Dat geldt niet voor alle functies: semantisch zoeken, inline suggesties en codeaanvullingen, en functies die embeddings gebruiken, vereisen een GitHub-account.

Copilot CLI heeft een aparte instelling, COPILOT_OFFLINE=true, die contact met GitHub voorkomt. Staat de ingestelde modelprovider op een externe server, dan ontvangt die server nog steeds prompts en codecontext. Een lokale modelkeuze alleen maakt een sessie dus niet volledig offline. Ook Auto is geen offlinegarantie: de aangekondigde modus kan juist voor cloudinferentie kiezen.

Welke acties vallen binnen de sandboxgrens?

Microsoft beschreef sandboxing als een aparte controle op de uitvoering van agenttools. Shellcommando’s en standaard lokale MCP-servers en taalservers draaien binnen een procesgrens. MCP staat voor Model Context Protocol, een protocol voor verbindingen tussen modellen en externe tools of gegevensbronnen.

Ingebouwde bestandstools vallen onder beleidscontroles van de agentomgeving, maar draaien niet als door het besturingssysteem geïsoleerde onderliggende processen. Externe MCP-servers vallen buiten de lokale processandbox. De keuze voor een lokaal model bepaalt dus niet op zichzelf welke tools toegang hebben of hoe die tools worden afgeschermd.

De sandboxbackend verschilt per besturingssysteem

Microsoft noemde verschillende mechanismen per besturingssysteem: Windows gebruikt de BaseContainer-laag van ProcessContainer binnen Microsoft Execution Containers (MXC), macOS gebruikt Seatbelt en Linux gebruikt bubblewrap. Volgens Microsoft zijn hiervoor geen aparte virtuele machine of containerimage nodig.