Quantinuum meldde op 19 oktober 2026 dat de logische geheugenfout op Helios-1 afnam naarmate de afstand van de geteste driehoekige kleurcode groter werd. Met de Tesseract-decoder rapporteerde het onderzoeksteam een foutkans per syndroomextractiecyclus van 5,5 × 10⁻⁴ bij afstand 3 en 5 × 10⁻⁶ bij afstand 7. Het team testte daarnaast logische twee-qubitpoorten, maar deze metingen vormden samen geen volledige demonstratie van universele fouttolerantie.
Een logische qubit verdeelt informatie over meerdere fysieke qubits. Syndroommetingen leveren informatie waarmee fouten in die gecodeerde informatie kunnen worden opgespoord. In de geheugentest gebruikten de onderzoekers driehoekige kleurcodes met afstanden 3, 5 en 7. De geheugenblokken telden respectievelijk 13, 37 en 73 fysieke qubits.
Geheugenfouten en de omvang van de meting
De gerapporteerde geheugenfoutkans daalde bij elk van de geteste afstanden. De onderstaande schattingen zijn van Quantinuum met de Tesseract-decoder; de foutmarges zijn 1σ-Wilson-intervallen, overeenkomend met 68 procent.
| Codeafstand | Fysieke qubits per geheugenblok | Geheugenfout per syndroomextractiecyclus | Shots | Rondes per shot | Fouten |
| 3 | 13 | 5,5⁺⁰·⁴₋₀·₄ × 10⁻⁴ | 15.840 | 20 | 178 |
| 5 | 37 | 3,8⁺¹·⁰₋₀·₈ × 10⁻⁵ | 21.600 | 20 | 17 |
| 7 | 73 | 5⁺⁴₋₂ × 10⁻⁶ | 29.000 | 20 | 3 |
Bij afstand 7 bestond de steekproef dus uit 29.000 shots van elk 20 syndroomrondes, met drie geregistreerde fouten. Samen waren dat 580.000 shot-rondes; de meting telde 29.000 shots. Omdat fouten zeldzaam waren, baseerden de onderzoekers hun foutschatting op de meting met 20 rondes, in plaats van op een fit over meerdere aantallen rondes.
De geschatte geheugenschaalfactor verschilde per decoder. De factor beschrijft hoe de foutkans verandert wanneer de codeafstand toeneemt.
| Decoder | Geschatte geheugenschaalfactor |
| Tesseract | 12⁺³₋₂ |
| Frontier | 11⁺²₋₂ |
| CNN | 7⁺¹₋₁ |
| RTT | 8⁺¹₋₁ |
De aparte test van twee-qubitpoorten
Quantinuum onderzocht ook logische twee-qubitpoorten met randomized benchmarking. Die benchmark meet de foutkans per logische twee-qubit-Clifford, een andere grootheid dan de geheugenfout per syndroomextractiecyclus.
| Benchmarkconditie | Foutkans per logische twee-qubit-Clifford |
| Ongecodeerd | 9,5⁺⁰·⁶₋₁·₄ × 10⁻⁴ |
| Codeafstand 3 | 7⁺¹₋₁ × 10⁻⁴ |
| Codeafstand 5 | 7⁺³₋₃ × 10⁻⁵ |
Voor deze benchmark testte het team geen twee blokken met codeafstand 7: daarvoor had Helios-1 niet genoeg qubits. De afstand-7-resultaten in de geheugentabel komen dus uit een andere test.
Lekkage en decodering
Drie repomprondes op de hardware onderdrukten de gemeten lekkagepopulatie met een factor 6,5(1). Quantinuum rapporteerde daarnaast dat de logische foutkans hierdoor, vergeleken met alleen lekkagereductie op circuitniveau, met een factor 4 verbeterde bij afstand 3 en een factor 8 bij afstand 5.
De onderzoekers voerden de decodering offline uit. Voor hun timingmetingen voerden ze eerder opgenomen syndroomgegevens aan streamingdecoders. De CNN- en RTT-decoders waren getraind met emulatorgegevens en werden zonder verdere afstelling op hardwaregegevens toegepast. Op een NVIDIA H100 bedroeg de gemiddelde verwerkingstijd volgens het onderzoek minder dan een milliseconde per ronde. Die timingmeting was geen live terugkoppeling tijdens de kwantumberekening.
Voor een volledige gecodeerde berekening met Clifford-plus-T-poorten moet ook worden aangetoond dat de voorbereiding van hoogwaardige magische toestanden met kleurcodes onder de foutdrempel kan opschalen. Quantinuums onderzoekers noemen dat als resterende stap.