Op 8 september 2026 verscheen in npj Space Exploration een studie van Pari Mohan en Aditya R. Khuller. De onderzoekers schatten dat blootliggend waterijs op zes locaties boven 65° noorderbreedte doorgaans minder dan 3% stof naar massa bevat. Eerdere schattingen liepen op tot ongeveer 25% naar massa. De studie beperkt haar schatting tot de onderzochte noordelijke locaties.

Een schatting voor zes noordelijke locaties

De onderzoekers bestudeerden blootliggend ijs op zes plekken rond de noordpool, waaronder de North Polar Residual Cap, Korolev Crater, Louth Crater, Chasma Boreale en de landingsplaats van Phoenix. De uitkomst beschrijft dus niet de samenstelling van al het ijs op Mars.

Bij Korolev Crater leverden twee spectra voor de bovenlaag verschillende modelschattingen op: 2,10% stof naar massa voor het spectrum Ls 65 en 0,7% voor Ls 89. De studie noemt 2,2% als hoogste afgeleide concentratie aan het oppervlak. Die cijfers passen binnen de bredere schatting van doorgaans minder dan 3%.

Hoe de onderzoekers het ijs analyseerden

Mohan en Khuller gebruikten spectrale waarnemingen in zichtbaar en nabij-infrarood licht. Daarvoor combineerden ze gegevens van OMEGA op Mars Express en CRISM op Mars Reconnaissance Orbiter met albedowaarnemingen van de Phoenix-landingsplaats. Albedo is de hoeveelheid licht die een oppervlak terugkaatst.

Een model voor stralingsoverdracht hielp de onderzoekers de gemeten reflectie te koppelen aan ijslagen en onzuiverheden. Het model beschrijft doorgaans stofdeeltjes die los van de ijskorrels zitten. Als de onzuiverheden ín de korrels zitten, zou de werkelijke hoeveelheid volgens de auteurs ongeveer de helft van de modelschatting zijn.

In een interview met Space schreef mede-auteur Aditya R. Khuller de herziene schatting mede toe aan een methode voor sneeuw en ijs op aarde, in plaats van een techniek die voor maangrond was ontwikkeld. Khuller besprak die aanpak als context bij het onderzoek.

Stofrijke markerlagen zijn een aparte categorie

De studie beschrijft ook markerlagen met veel hogere stofgehalten: naar schatting 10–50% naar volume, overeenkomend met 24–74% naar massa. Zulke afzonderlijke lagen kunnen tussen ijsrijkere lagen liggen. Hun hoge stofgehalte spreekt de lagere schatting voor het onderzochte blootliggende ijs dus niet tegen: het gaat om verschillende soorten materiaal.

Stof, ijskorrelgrootte, gelaagdheid en seizoensrijp beïnvloeden hoe poolijs licht weerkaatst en energie opneemt. De studie kan daardoor helpen modellen van de energiebalans, de stabiliteit van het ijs en de klimaatgeschiedenis van Mars te verfijnen.

Wat de studie zegt over leven

De studie onderzocht de eigenschappen van ijs en de gevolgen daarvan voor het klimaat; zij rapporteert geen detectie van leven. Khuller opperde in het interview met Space een mogelijke overeenkomst met microben in stoffig smeltwater op aarde. Dat is een hypothese over mogelijke leefomgevingen, geen vondst van Martiaans leven.