Anthropic meldde op 20 oktober 2026 dat 17 van 211 door laboratoria geteste Claude-ontwerpen aan schorpioentoxinen bonden. De tests maten binding aan recombinante toxinen, geen neutralisatie of bescherming bij dieren. Het resultaat is een vroege stap in onderzoek naar mogelijke behandelingen, geen tegengif.

Wanneer telde een ontwerp als binder?

Anthropic liet Adaptyv Bio en Twist Bioscience de geselecteerde eiwitten fysiek testen. De laboratoria gebruikten oppervlakteplasmonresonantie (SPR), een methode om te meten hoe sterk een eiwit zich aan een doelwit bindt. De gebruikte toxinen waren recombinant: ze waren voor de tests nagemaakt, niet uit schorpioengif gezuiverd.

Anthropic stelde als criteria dat er in elke replicaat bij beide laboratoria bindingsbewijs moest zijn, dat de bindingsaffiniteit in elke meting een Kᴅ van maximaal 1 µM moest halen en dat er geen signaal mocht zijn tegen CLEC12A, een menselijk eiwit. Een lagere Kᴅ betekent een sterkere binding. Anthropic vermeldde dat LqhIII alleen door Adaptyv Bio is beoordeeld.

Elk van de 17 ontwerpen voldeed volgens Anthropic voor één toxine aan de criteria. Geen enkel ontwerp voldeed voor meer dan één toxine.

De verdeling van de ontwerpen per toxine

ToxinedoelwitOntwerpen die aan Anthropic’s criteria voldeden
Cn27
Ts10
AaH II4
AaH I4
LqhIII2

De 17 ontwerpen waren gericht op vier van de vijf toxinen. De twee ontwerpen voor LqhIII zijn gebaseerd op de beoordeling door Adaptyv Bio; Twist Bioscience testte dit doelwit niet.

Wat Claude, onderzoekers en laboratoria deden

Anthropic rapporteerde dat het interne Claude-onderzoeksmodel in 64 uur 318.484 eiwitontwerpen genereerde en 553.052 combinaties van ontwerp en toxine computationeel beoordeelde. Het model gebruikte 12 ontwerptools en selecteerde 180 ontwerpen voor tests. Het Anthropic-team voegde daar 31 ontwerpen aan toe, zodat er 211 werden getest.

Onderzoekers bepaalden de doelen, hulpmiddelen en ontwerpregels en hielden toezicht. Na een eerste fase van 24 uur volgden vier aanvullende prompts van onderzoekers. Claude deed het ontwerp- en selectiewerk; Adaptyv Bio en Twist Bioscience voerden de laboratoriumtests uit.

De laboratoria gebruikten verschillende methoden om de eiwitten te maken. Adaptyv Bio werkte met een celvrij systeem; Twist Bioscience maakte de eiwitten in menselijke niercellen als fusies met een antilichaam-Fc-deel. Beide organisaties maten vervolgens de binding met SPR.

Wat de bindingstests wel en niet aantonen

Binding betekent dat een eiwit zich aan een doelwit hecht. De tests laten zien dat de geselecteerde ontwerpen onder de gebruikte laboratoriumomstandigheden aan recombinante toxinen konden binden. Ze testten niet of de ontwerpen de werking van het gif in cellen blokkeren of dieren beschermen. Anthropic presenteerde de ontwerpen daarom niet als een ontwikkeld tegengif.

Twee ontwerpen voor Cn2, Cn2-B1 en Cn2-B2, lieten volgens Anthropic bij beide laboratoria een bindingsaffiniteit in het eencijferige nanomolaire bereik zien. Concurrentietests wezen erop dat ze mogelijk op dezelfde plek als, of dicht bij, antilichaam LR binden. LR is eerder in verband gebracht met neutralisatie van Cn2 bij muizen; de nieuwe ontwerpen zelf zijn niet in cellen of dieren getest.

Anthropic noemt als mogelijke vervolgstappen het bevestigen van binding aan toxine dat uit gif is gezuiverd, celtests met patch-clampmetingen van de natriumkanaalfunctie en onderzoek naar bescherming bij muizen. Ook veiligheid, stabiliteit, betaalbaarheid en brede beschikbaarheid zouden moeten worden onderzocht voordat een kandidaat een behandeling kan worden.