Een bericht van Cadena 3 beschrijft meerdere signalen die passen bij quark-gluonplasma (QGP) in relatief kleine zuurstof- en neonbotsingen bij de Large Hadron Collider (LHC). De gemelde resultaten van ALICE, ATLAS, CMS en LHCb vormen samen aanwijzingen voor zulke omstandigheden, geen bewijs dat elke botsing QGP oplevert.

Welke signalen zijn gemeld?

Volgens Cadena 3 vond ATLAS verschillen in de energie van paren jets, bundels deeltjes, bij zuurstof- en neonbotsingen. Het effect was sterker bij centralere botsingen, waarbij de kernen dichter op elkaar botsen. CMS zag minder geladen deeltjes dan bij proton-protonbotsingen. Ook werden onder meer variaties in de onderdrukking van upsilonmesonen en voorlopige verschillen in de stromingspatronen van baryonen en mesonen gemeld.

Onderdrukking betekent dat er minder deeltjes worden waargenomen dan in de vergelijking. Dat alleen toont niet aan dat partonen, de quarks en gluonen waaruit de deeltjes voortkomen, energie verloren. Andere fysische processen kunnen een vergelijkbaar patroon veroorzaken.

Hoe maakt ALICE de vergelijking scherper?

ALICE vergelijkt de productie van neutrale pionen bij zuurstof-zuurstofbotsingen met die bij proton-zuurstofbotsingen. In het abstract op CERN Indico staat dat de dubbele verhouding van die metingen effecten van koude kernmaterie moet begrenzen en grotendeels wegstrepen. Zo kan ALICE gerichter toetsen of partonen energie verliezen in zuurstof-zuurstofbotsingen.

Wat meet LHCb?

De LHCb-samenwerking beschrijft een verhouding van de productie van D⁰-mesonen in neon-neonbotsingen tegenover zuurstof-zuurstofbotsingen, bij 5,36 TeV per nucleonenpaar. Dat is een specifieke meting van charmdeeltjes, naast de andere observaties in het bredere verslag.

QGP is een toestand van materie die in verband wordt gebracht met het vroege heelal. De LHC-botsingen onderzoeken zulke omstandigheden; ze bootsen de oerknal zelf niet na.