Een studie die op 4 november 2026 in Science Advances verscheen, meldt zes duidelijke detecties van waterstofchloride (HCl) in de atmosfeer boven Alba Mons tijdens de noordelijke zomer op Mars. De onderzoekers zien een lokale bron die samenhangt met magmatische processen als beste verklaring voor het patroon. Twee eerdere waarnemingen bij Alba Mons waren niet overtuigend genoeg om als detectie te gelden. De studie

De locatie en het seizoen maken het signaal opvallend; de meting zelf is van HCl in de atmosfeer.

Hoe TGO HCl in de atmosfeer mat

De ExoMars Trace Gas Orbiter (TGO) gebruikte zijn Atmospheric Chemistry Suite (ACS) om infrarood zonlicht te meten dat door de atmosfeer van Mars ging. Die techniek heet een zonneoccultatie: het instrument meet hoe gassen zonlicht absorberen wanneer de zon achter Mars opkomt of ondergaat.

In totaal omvatte de zoekactie 78 occultaties op het noordelijk halfrond tijdens MY35 en MY37, bij zonnelengtegraden van 100° tot 120°. In MY37 vielen de zes duidelijke detecties tussen 107° en 119°. Vier lagen op 55°–66° noorderbreedte en twee op 43°–48° noorderbreedte. De gemeten profielen bereikten maximaal 1,5 ppbv, oftewel 1,5 deeltje per miljard op basis van volume, en lagen vooral in de onderste atmosfeer. De studie

Aerosolen in de atmosfeer kunnen het zonlicht verzwakken. Daardoor verschilt de laagste hoogte die ACS kan bereiken: soms enkele kilometers, soms enkele tientallen. De metingen geven dus atmosferische profielen, geen rechtstreekse meting aan het oppervlak.

Twee seizoenspatronen van HCl op Mars

De Alba Mons-detecties vielen tijdens het aphelium, wanneer Mars het verst van de zon staat. Ze verschillen in seizoen en verspreiding van de veel bredere HCl-cyclus rond het perihelium, wanneer Mars het dichtst bij de zon staat.

PatroonSeizoenVerspreidingGemelde HCl-concentratieVoorgestelde verklaring
Wijdverspreide perihelische HCl-cyclusLente en zomer op het zuidelijk halfrond, rond zonnelengte 230°–330°Wijdverspreid, vooral op zuidelijke breedtenPiek van ongeveer 4–5 ppbvVooral chemische processen tussen aerosolen en de atmosfeer
HCl bij Alba Mons tijdens het apheliumVroege zomer op het noordelijk halfrond, bij zonnelengte 107°–119° in MY37Plaatselijke detecties bij Alba MonsTot 1,5 ppbvDe onderzoekers geven een lokale bron van magmatische oorsprong als beste verklaring

De hogere piek van de gewone perihelische cyclus maakt de Alba Mons-detecties niet tot hetzelfde verschijnsel: de plaatselijke signalen kwamen in een ander seizoen en op een beperkte locatie voor. De studie schrijft de brede perihelische cyclus vooral toe aan chemie rond stof en aerosolen, terwijl de onderzoekers voor Alba Mons een lokale bron voorstellen. De studie

Waarom onderzoekers een geologische bron voorstellen

Volgens de onderzoekers verklaren bekende atmosferische omstandigheden en chemische modellen niet waarom het aphelium-signaal juist bij Alba Mons plaatselijk voorkomt. Een lokale bron van magmatische oorsprong past volgens hun analyse het best bij die verdeling. Ze bespreken ook moddervulkanisme en de ontleding van chlorideverbindingen als mogelijke alternatieven.

Beelden van het gebied tonen breuken bij tektonische of vulkanische structuren. De studie beschouwt zulke breuken als mogelijke routes voor gas, niet als rechtstreeks waargenomen uitlaatopeningen. De metingen maken de geologische verklaring aannemelijk genoeg om te onderzoeken, maar vormen op zichzelf geen waarneming van een uitbarsting. In een bericht van de Europese Ruimtevaartorganisatie (ESA) stond dat er geen nieuwe lavastromen of uitbarstingen waren waargenomen. De ESA-melding

Verdere detecties in MY38

De studie meldt ook HCl-detecties boven hetzelfde gebied tijdens het aphelium van MY38, overeenkomend met de zomer van 2025 op aarde. Een gedetailleerde analyse van die waarnemingen werd naar een afzonderlijke studie verwezen. De studie