Een microfysisch model van het team onder leiding van Hiroki Karyu koppelt de lage nevel van Venus aan een voortdurende toevoer van kosmisch stof. De studie verscheen op 13 april 2026; de berekende deeltjesgrootteverdeling komt overeen met waarnemingen van atmosferische sondes uit de jaren 1970.
Wat het model met eerdere sondewaarnemingen verbindt
De lage nevel bestaat uit niet-vluchtige deeltjes kleiner dan een micrometer, tussen het oppervlak van Venus en de belangrijkste wolkenlaag. Sondes van de missies Venera en Pioneer Venus namen die deeltjes in de jaren 1970 waar.
De sondewaarnemingen betreffen de deeltjes zelf; kosmisch stof is de mogelijke oorsprong die het model ervoor berekent. Het team gebruikte een model voor de microfysica van Venus’ wolken, met daarin een samenhangend raamwerk voor de vorming van deeltjes. Daaruit volgt dat een voortdurende instroom van stof uit de ruimte de waargenomen verdeling van de deeltjesgrootte kan onderhouden.
Hoe stofdeeltjes wolkenvorming kunnen bevorderen
De deeltjes van kosmische oorsprong kunnen als condensatiekernen werken: kleine deeltjes waarop materiaal uit de atmosfeer kan samenklonteren. In het model bevorderen ze zo de vorming van wolken in de belangrijkste wolkenlaag van Venus.
IJzer is een mogelijke aanwijzing voor de uv-absorber
De gemodelleerde deeltjes zijn verrijkt met magnesium en ijzer. Het team noemt ijzer een plausibele bron van de nog niet geïdentificeerde stof die ultraviolet licht in de atmosfeer absorbeert.
Mogelijke betekenis voor onderzoek naar dichte atmosferen
Het model biedt een manier om te onderzoeken hoe invallend kosmisch stof de wolken in een dichte planeetatmosfeer kan beïnvloeden. De onderzoekers noemen zulke atmosferen ook relevant voor toekomstig onderzoek naar gasreuzen en exoplaneten.