NASA publiceerde op 7 oktober 2026 een voorlopig overzicht van de maanwaarnemingen van Artemis II. Daarin meldt het ruimteagentschap dat de bemanning tijdens de maanvlucht vijf zeer zwakke lichtflitsen waarnam. NASA’s wetenschapsteam onderzocht andere mogelijke verklaringen, waaronder kosmische straling en reflecties van het ruimtevaartuig, en bevestigde de waarnemingen. De bemanning maakte deze observaties in april 2026.
Vijf zwakke flitsen bij de maan
De flitsen leken op kleine lichtpuntjes. Orion bevond zich op dat moment op ongeveer 74.000 kilometer van de maan. De waarnemingen vonden plaats tijdens een geplande communicatieonderbreking aan de achterkant van de maan.
Op basis van de helderheid schatten wetenschappers dat de inslaande ruimtebrokstukken hooguit ongeveer vijf centimeter breed waren. NASA zegt dat de waarnemingen kunnen helpen bij onderzoek naar hoe vaak kleine inslagen op de maan voorkomen.
De subtiele kleuren die de bemanning zag
De astronauten beschreven grijze, zwarte, bruine, beige, witte, groene en blauwe tinten op het maanoppervlak. NASA verbindt blauwe gebieden voorlopig met vulkanisch gesteente dat rijk is aan titanium, bruine tinten met uiteenlopende ijzergehalten en groen met glas dat bij vulkaanuitbarstingen of inslagen van planetoïden kan zijn ontstaan.
De waargenomen kleur en textuur hangen ook af van de belichting en de kijkhoek. NASA wil foto’s en beschrijvingen van de bemanning vergelijken met gegevens van de Lunar Reconnaissance Orbiter om te onderzoeken hoe kleur, helderheid, contrast en schijnbare textuur veranderen wanneer het oppervlak vanuit een andere hoek wordt bekeken.
De maanterminator maakt reliëf zichtbaar
De maanterminator is de bewegende grens tussen de dag- en nachtzijde van de maan. Daar valt zonlicht onder een lage hoek op het oppervlak. De lange schaduwen die daardoor ontstaan, laten de hoogteverschillen en vormen van kraters en andere terreinkenmerken goed uitkomen. De belichting deed volgens NASA denken aan omstandigheden bij de zuidpool van de maan.
NASA zegt dat deze waarnemingen kunnen helpen bepalen welke camera’s toekomstige missies nodig hebben, waar die op gericht moeten worden en hoeveel detail de beelden moeten vastleggen.
De eclips en de aarde gezien vanuit Orion
Tijdens de maanvlucht zag de bemanning de zon 54 minuten lang achter de maan verdwijnen. Vanuit Orion bestudeerden de astronauten onder meer de zonnecorona, de buitenste atmosfeer van de zon, en andere zwakke hemelverschijnselen, waaronder Mars, Saturnus, sterrenstelsels, sterren en zodiakaal licht.
Op 2 april 2026 fotografeerde een bemanningslid de aarde vanaf ongeveer 9.700 kilometer afstand. De aarde was op de foto door maanlicht verlicht. NASA meldt dat analisten later weersystemen, poollicht bij beide polen, lagen in de atmosfeer, Saharastof, zodiakaal licht en Venus op het beeld herkenden.