Een preprint die de onderzoekers op 7 oktober 2026 indienden, meldt dat 14.997 van de 15.591 satellietpassages tijdens de schemering helderder waren dan de gebruikte aanbeveling voor satelliethelderheid: ongeveer 96%. De waarnemingen vonden plaats bij Elginfield Observatory in Ontario, van 7 oktober tot en met 11 november 2024. De preprint van de onderzoekers beschrijft de metingen; het arXiv-record vermeldt de indieningsdatum.

Dat percentage zegt iets anders dan de vergelijking tussen constellaties. Starlink was goed voor ongeveer twee derde van de waargenomen passages boven de helderheidsgrens, maar Guowang/Hulianwang overschreed die grens bij een groter deel van de theoretisch mogelijke passages.

De percentages hieronder hebben dezelfde noemer: het aandeel theoretisch mogelijke passages dat boven de helderheidsgrens uitkwam.

ConstellatieMogelijke passages boven de helderheidsgrens
StarlinkOngeveer 25%
Guowang/HulianwangMeer dan 50%
OneWebOngeveer 6%

De onderzoekers berekenden die percentages voor objecten die naar verwachting het camerabeeld zouden doorkruisen terwijl de camera’s operationeel waren. Daarbij hielden ze rekening met onder meer bewolking, uitval, atmosferische verzwakking en de schaduw van de aarde.

Starlinks aandeel van ongeveer twee derde gaat juist over het absolute aantal waargenomen passages boven de grens. Dat aandeel hangt mede samen met de omvang van de constellatie. Het hogere percentage van Guowang/Hulianwang betekent dus niet dat die constellatie in deze steekproef ook de meeste overschrijdingen opleverde.

Wat de helderheidsgrens inhoudt

De studie toetste de satellieten aan een aanbeveling van het IAU Centre for the Protection of the Dark and Quiet Sky from Satellite Constellation Interference (IAU CPS). Het is een wetenschappelijke maatstaf, geen wettelijke limiet.

De grens hangt af van de baanhoogte. De onderzoekers gebruikten de formule V > max[7,0; 7,0 + 2,5 log10(A/550 km)], waarbij V de schijnbare Johnson-Cousins-magnitude is en A de baanhoogte in kilometers. Een hogere magnitude betekent een zwakker object. Bij een grotere baanhoogte wordt de grens dus aangepast: satellieten bewegen daar schijnbaar langzamer, waardoor hun lichtspoor per oppervlakte-eenheid van een opname helderder kan zijn.

Een steekproef uit één sterrenwacht

Zes Luciole-camera’s volgden de hemel zonder vooraf op voorspelde satellietposities te richten. In 36 nachten registreerden de onderzoekers 24.812 sporen van 5.118 unieke satellieten. Van de 407 mogelijke observatie-uren waren er 230 helder. De metingen beschrijven daarmee een locatie en periode, geen wereldwijde telling.

De camera’s hadden een nominale detectiegrens van ongeveer +9,0 magnitude, maar de effectieve volledigheidsgrens van de survey lag op +6,15. De auteurs geven aan dat sommige percentages voor populaties waarvan de meeste satellieten zwakker zijn dan die grens, ondergrenzen zijn. De vaste kijkrichtingen van de camera’s beïnvloedden ook welke passages in beeld kwamen.

De meeste geregistreerde sporen vielen binnen twee uur na zonsondergang of binnen twee uur voor zonsopkomst. Op die momenten is het op de grond donker, terwijl satellieten in een lage baan nog door de zon kunnen worden verlicht.

Wat de raming voor Rubin zegt

Voor Vera C. Rubin Observatory berekenen de onderzoekers gemiddeld ongeveer 0,34 satellietsporen per opname van 30 seconden tijdens de schemering. Dat is een modelraming op basis van de gemeten satellietflux en aannames over het gezichtsveld van de telescoop en de invloed van bewegingssporen op detectie. Het cijfer komt niet uit waarnemingen met Rubin zelf.