Anthropic meldde in oktober 2026 dat interactieve agents in augustus zes keer zoveel uren draaiden als hun menselijke begeleiders naar schatting werkten. Tegelijk namen de vergadertijd en het aandeel werk dat medewerkers aan agentbeheer besteedden toe. In een aparte enquête verwachtten Anthropic-medewerkers dat AI tegen 2030 gemiddeld 75% van hun huidige werkuren zou kunnen uitvoeren. Dat laatste is een verwachting, geen gemeten uitkomst.

De 75% is een verwachting over AI-capaciteit

Anthropic vroeg medewerkers welk deel van hun huidige werkuren AI tegen 2030 zou kunnen uitvoeren. Hun gemiddelde antwoord was 75%. Onder werkende respondenten in de Verenigde Staten was dat 28%.

Onderzochte groepGemiddeld verwacht aandeel van de huidige werkuren dat AI tegen 2030 kan uitvoerenOmvang en methode
Medewerkers van Anthropic75%1.334 medewerkers, interne ongewogen peiling van 9 tot en met 12 augustus 2026
Werkende respondenten in de Verenigde Staten28%Onderdeel van een online enquête onder 10.980 Amerikaanse volwassenen, gewogen en afgenomen van 11 tot en met 23 augustus 2026 via een opt-inpanel

Meer dan de helft van de medewerkers van Anthropic verwachtte dat AI minstens 80% van hun werk zou kunnen uitvoeren. Bij Amerikaanse werknemers dacht 5% dat. De enquête meet wat respondenten denken dat AI kan, niet hoeveel werk er daadwerkelijk wordt geautomatiseerd of hoeveel banen verdwijnen.

Wie ook de andere enquête-uitkomsten wil bekijken, vindt in onze eerdere uitleg over de AI-verwachtingsenquête van Anthropic de bredere verwachtingen van medewerkers en Amerikaanse respondenten.

Agenturen meten runtime, geen productiviteit

In maart 2026 kwamen de gecombineerde uren van autonome en interactieve agents bij Anthropic voor het eerst boven de menselijke werkuren uit. In augustus registreerden interactief door medewerkers aangestuurde agents zes keer zoveel uren als hun menselijke begeleiders naar schatting werkten.

Anthropic telt bij die agent-runtime de berekeningen en het actieve gebruik van tools mee, voegt het werk van subagents samen en sluit wachttijden van meer dan 30 minuten uit. De menselijke uren zijn geschat op basis van het aantal medewerkers en een werkweek van 40 uur. De verhouding vergelijkt dus agenturen met geschatte mensuren; het is geen productiviteitsmeting.

Anthropic schatte bovendien dat interactieve Claude-sessies ongeveer 80% van de verstreken sessietijd wachtten op menselijke input. Een lange runtimetelling betekent daarmee niet dat een agent al die tijd actief werkte.

Meer werk rond agents en meer overleg

De mediane vergadertijd per medewerker steeg volgens Anthropic met 20% ten opzichte van een jaar eerder. Bij technische medewerkers zonder leidinggevende functie was de stijging 16%. Anthropic schreef een deel van de algemene toename toe aan de groei van het bedrijf en de veranderde samenstelling van functies.

Ook het aandeel interactieve Claude-sessies dat als metawerk werd ingedeeld, nam toe. Daaronder vallen bijvoorbeeld agents beheren, hun plannen schrijven en pijplijnen controleren. Het aandeel steeg van 10% in de herfst van 2025 naar 22% in het voorjaar van 2026. Anthropic baseerde die schatting op een geautomatiseerde beoordeling van een steekproef van 2.000 samenvattingen van één regel.

Het aandeel junior technische functies daalde

Sinds begin 2025 veranderde bij Anthropic het aandeel junior medewerkers in technische afdelingen en het aandeel junioren onder nieuwe technische aanstellingen. De twee percentages hebben een andere noemer:

MaatstafBegin 2025Rapportperiode
Junior medewerkers als aandeel van de technische afdelingen21%14%
Junioren als aandeel van de technische aanstellingen27%9%

Anthropic meldde dat het absolute aantal technische aanstellingen bleef groeien, terwijl functies in verkoop, financiën en recruitment sneller toenamen. De dalende aandelen betekenen dus niet dat het aantal technische aanstellingen afnam.

Hogere code-output bewijst geen oorzaak

Anthropic vergeleek 192 engineers die codingagents adopteerden met 74 die dat in de onderzochte periode niet deden. Het bedrijf rapporteerde meer code-output na adoptie en meldde ook dat codecommits per engineer vijf keer zo hoog lagen als zes maanden eerder. Een afzonderlijke analyse meldde dat het aantal toegevoegde regels code in de maand na adoptie verdrievoudigde; dat is een andere maatstaf en een korter tijdvak.

Omdat adoptie niet willekeurig was, kunnen projectkeuze en andere factoren hebben bijgedragen aan de hogere output. In een beperktere vergelijking van commits van dezelfde medewerker, in dezelfde maand en map, vond Anthropic geen verschil in het aandeel regels code dat later werd verwijderd of teruggedraaid. Dat is één beperkte indicator van codekwaliteit, geen beoordeling van alle aspecten ervan.