Iedereen weet dat de relatie tussen het netwerk der netwerken en het milieu niet ideaal is. Er valt nog veel te corrigeren en in evenwicht te brengen, ondanks de inspanningen die sommige bedrijven hebben geleverd om de efficiëntie van hun installaties te verhogen en de algemene impact te verminderen. Twee rapporten van het Imperial College London en Ericsson Mobility schetsen echter een complex beeld: het downloaden van één gigabyte aan gegevens zou een 'watervoetafdruk' van 200 liter water kunnen veroorzaken, en over een half decennium zou dat aantal veel groter zijn.
Internet en water. Verschillende online bronnen leren ons hoe we de kwaliteit van het water dat we drinken kunnen verbeteren, hoe we het uit ongebruikelijke plaatsen kunnen halen, hoe we het verbruik kunnen verminderen, of hoe we het als energiebron kunnen gebruiken. Om te begrijpen hoe verweven internet met dit vitale vocht is, moeten we dieper graven. Het idee om datacenters met water te koelen is niet nieuw. Google doet het in zijn fabelachtige installatie in Hamina, terwijl het Project Natick van Microsoft servers rechtstreeks op de zeebodem wil plaatsen. Maar er is ook een ander soort 'impact', en die wordt gegenereerd door elke gebruiker. In augustus 2015 publiceerde het Centrum voor Milieubeleid van het Imperial College London een rapport over de zogenaamde 'watervoetafdruk' van datacenters, waarin wordt berekend dat elke 'uitgaande' gigabyte van deze centra een voetafdruk van 200 liter heeft, een aantal vergelijkbaar met wat nodig is om een kilogram tomaten te produceren.
Nu stelt het onderzoek een te grote onzekerheidsmarge vast, aangezien het exacte aantal in de tekst spreekt van 'tussen 1 en 205 liter', maar een dergelijke kloof wordt veroorzaakt door het ontbreken van nauwkeurige evaluaties en metingen in de installaties. Uitgaande van een houding van 'het beste hopen en op het ergste voorbereid zijn', vinden we een ander onderzoek van Ericsson Mobility, waarin het maandelijkse datagebruik per gebruiker wordt onderzocht. Vorig jaar was het gemiddelde 1,9 gigabyte op de West-Europese markt, terwijl het in de Verenigde Staten steeg tot 3,7 gigabyte, en 1,2 gigabyte in Latijns-Amerika. De projectie die Ericsson maakt naar 2021 spreekt van 18 gigabyte per maand bij Europese gebruikers, 22 gigabyte in de Verenigde Staten en 7 gigabyte in Latijns-Amerika.
Eén ding is zeker: de trend van gebruikers zal niet veranderen. Videostreaming wordt steeds veeleisender, en providers zullen alles doen om dit detail optimaal te benutten, maar hun positie is op termijn onhoudbaar. Het volume van de datatransfer zal toenemen, en de prijzen zullen moeten dalen. Daarom moet de grote verandering komen van de providers, en van die titanen die de structuur van internet ondersteunen. Apple, Facebook en Google hebben grote vooruitgang geboekt. Amazon zegt dat 40 procent van zijn energie uit hernieuwbare bronnen zal worden opgewekt vóór het einde van 2016. Het idee dat een gemiddelde mobiele sessie van een Europese gebruiker in 2021 3.600 liter water zou 'kosten' is zorgwekkend, maar de experts slapen niet op hun lauweren. Internet kan efficiënter zijn, maar eerst moeten alle puzzelstukken bij elkaar worden gebracht.
Bron: