Anthropic meldde op 16 oktober 2026 dat ongeveer 80 procent van de verstreken tijd in interactieve Claude-sessies met meerdere beurten voorbijging terwijl een agent op menselijke input wachtte. Het percentage beschrijft sessies binnen Anthropic; het is geen algemene maat voor AI-agenten. De studie laat ook zien hoeveel voorbereiding, controle en coördinatie rond die agentsessies nodig bleef.
Wat betekent de 80 procent?
Anthropic berekende de wachttijd door de actieve werktijd van de agent af te trekken van de totale verstreken tijd van een interactieve sessie. Die 80 procent gaat dus over de kloktijd van zulke gesprekken, niet over de verhouding tussen alle agenturen en menselijke werkuren.
Die afbakening doet ertoe: de meting gaat specifiek over interactieve sessies waarin een agent tussendoor menselijke input ontvangt. Anthropic onderzocht de eigen, AI-intensieve werkplek. De cijfers beschrijven daarmee niet een doorsnede van bedrijven of de Nederlandse arbeidsmarkt.
Het menselijke werk rond Claude-agenten
Anthropic noemde taken rond het aansturen van agenten ‘meta-werk’: instructies voorbereiden, processen en pijplijnen volgen, inzichttools bouwen en werk documenteren. Het aandeel van de gemiddelde medewerker-interacties met Claude dat als meta-werk werd ingedeeld, steeg van 10 procent in het najaar van 2025 naar 22 procent in het voorjaar van 2026.
Voor die schatting liet Anthropic een automatisch classificatiesysteem 2.000 samenvattingen van chats van één regel beoordelen. De stijging beschrijft dus het aandeel sessies dat als werk rond agenten werd ingedeeld. In de praktijk betekent meer agentoutput niet dat menselijke aandacht overbodig wordt: mensen blijven instructies geven, de voortgang volgen en resultaten beoordelen.
De studie combineerde interne gegevens over personeel, AI-gebruik, output, enquêtes, communicatie, agenda’s en wervingsbeslissingen met 17 interviews met medewerkers. Die combinatie geeft context bij de organisatie van het werk binnen Anthropic.
Wat de vergelijking van ingenieurs laat zien
Anthropic volgde 192 ingenieurs die codeeragenten gingen gebruiken en vergeleek hen met 74 ingenieurs die dat in de onderzochte periode niet deden. De gebruikers voegden in de maanden na invoering meer code toe. Anthropic vermeldde daarbij dat de invoering niet willekeurig was en dat deze groep al vóór het gebruik van agenten een sneller stijgende output liet zien. De vergelijking bewijst daarom niet dat AI op zichzelf de hogere output veroorzaakte.
Bij enkele gebruikte maatstaven voor codekwaliteit, waaronder regels code die later werden verwijderd of teruggedraaid, vond Anthropic geen verschil tussen door agenten geschreven en door mensen geschreven code. Het bedrijf benadrukte dat zulke maatstaven niet alle aspecten van codekwaliteit omvatten.