Het Amerikaanse U.S. Court of Appeals for the D.C. Circuit heeft op 11 september 2026 unaniem geoordeeld dat het U.S. Department of Energy (DOE) zijn noodbevoegdheid had overschreden door de kolengestookte J.H. Campbell Generating Plant in West Olive, Michigan, langer beschikbaar te houden. De rechtbank vond dat er geen kritieke elektriciteitsschaarste was aangetoond die het bevel onder Section 202(c) van de Federal Power Act rechtvaardigde.
De uitspraak geldt rechtstreeks voor de noodverklaring rond J.H. Campbell. Ze maakt niet automatisch een einde aan alle andere DOE-bevelen voor elektriciteitscentrales en betekent evenmin dat de centrale op 11 september 2026 onmiddellijk werd gesloten.
De uitspraak over J.H. Campbell
Section 202(c) is een uitzonderlijke federale bevoegdheid voor situaties waarin bijvoorbeeld een plotselinge stijging van de elektriciteitsvraag of een tekort aan elektrische energie een directe ingreep noodzakelijk maakt. De rechtbank beschreef die bevoegdheid als een beperkte noodrem, niet als een alternatief voor de normale planning van het elektriciteitsnet.
Een unaniem panel van drie rechters verklaarde de noodverklaring voor J.H. Campbell ongeldig. Daarmee viel de juridische basis weg voor het bevel dat de centrale na haar geplande pensionering beschikbaar moest houden. De centrale wordt geëxploiteerd door Consumers Energy.
Waarom was er volgens de rechtbank geen wettelijke noodsituatie?
Het DOE verwees naar zorgen over de reservecapaciteit van het stroomnet en naar een mogelijke krapte tijdens perioden met hoge zomervraag. De rechtbank vond die onderbouwing onvoldoende voor het soort acute, kritieke schaarste dat Section 202(c) vereist.
Een aangehaald rapport van Midcontinent Independent System Operator (MISO), de regionale netbeheerder, sprak volgens de beschreven uitspraak juist over voldoende verwachte middelen voor piekbelasting. Dat rapport ging bovendien over omstandigheden in 2024. Een afzonderlijke presentatie vergeleek seizoensgebonden vraag en beschikbaar aanbod, maar liet volgens de rechtbank geen daadwerkelijke kritieke noodsituatie zien.
Dat onderscheid is belangrijk. Een net kan extra reservecapaciteit nodig hebben zonder dat de federale overheid daarom automatisch een stilgelegde of bijna gepensioneerde centrale mag laten doorwerken. Volgens het D.C. Circuit hoort zo’n voorzienbare capaciteitskwestie eerst thuis in de gewone mechanismen voor resource adequacy: de planning waarmee netbeheerders, staten en marktpartijen voldoende productie voor verwachte vraag organiseren.
Geplande sluiting versus federale ingreep
J.H. Campbell stond gepland om op 31 mei 2025 met pensioen te gaan. Het sluitingsplan was volgens de aangehaalde informatie beoordeeld door de staat Michigan en door MISO; daarbij was vervangende opwekking voorzien.
Daarna volgden federale bevelen die de centrale beschikbaar moesten houden. Het DOE gaf op 17 februari 2026 Order No. 202-26-16 uit, met beschikbaarheid tot 18 mei. Op 18 mei 2026 volgde Order No. 202-26-22, die de periode verlengde tot 16 augustus. Op 14 augustus 2026 vaardigde het DOE Order No. 202-26-39 uit, effectief van 17 augustus tot en met 14 november 2026.
Volgens de beschreven bevelen was elk bevel gebonden aan een periode van maximaal 90 dagen. Zo ontstond een reeks tijdelijke beschikbaarheidsbevelen rond een centrale die al voor sluiting was ingepland. De rechtbank trok juist een grens bij het gebruik van noodmacht om een probleem op te lossen dat via reguliere regionale planning kan worden aangepakt.
Wat betekent dit nu voor de centrale?
De uitspraak vernietigt de aangevochten noodverklaring. Daardoor kan het geplande sluitingsproces van Michigan opnieuw relevant worden, maar de uitspraak zelf is geen sluitingsdatum en zegt niet dat J.H. Campbell op die dag stopte met produceren.
Voor lezers buiten de Verenigde Staten is de kern eenvoudig: de rechter besliste niet dat kolencentrales in het algemeen verboden zijn. Het oordeel gaat over de wettelijke drempel voor een federale noodmaatregel en over de vraag of de aangevoerde netzorgen die drempel haalden. Het antwoord van het hof was nee.
Mogelijke gevolgen voor andere centrales
De redenering kan worden aangevoerd in procedures tegen andere bevelen onder Section 202(c). Vooral het onderscheid tussen een echte acute noodsituatie en normale capaciteitsplanning kan daarbij gewicht krijgen.
Maar andere bevelen blijven juridisch afzonderlijke zaken. De uitspraak over J.H. Campbell vernietigt niet automatisch iedere federale opdracht rond kolen-, gas- of andere elektriciteitscentrales. Voor elk bevel moeten de omstandigheden en de wettelijke onderbouwing afzonderlijk worden beoordeeld. Dat maakt de beslissing tegelijk belangrijk en begrensd: ze geeft een duidelijke juridische waarschuwing, maar is geen landelijke automatische intrekking.
Tijdlijn van de Campbell-zaak
| Datum | Gebeurtenis | Gevolg voor J.H. Campbell |
| 31 mei 2025 | Geplande pensionering van de centrale | De centrale stond gepland om uit bedrijf te gaan. |
| 17 februari 2026 | DOE vaardigt Order No. 202-26-16 uit | Beschikbaarheid wordt opgedragen tot 18 mei 2026. |
| 18 mei 2026 | DOE vaardigt Order No. 202-26-22 uit | Beschikbaarheid wordt verlengd tot 16 augustus 2026. |
| 14 augustus 2026 | DOE vaardigt Order No. 202-26-39 uit | Een nieuwe periode wordt vastgelegd, effectief van 17 augustus tot en met 14 november 2026. |
| 11 september 2026 | Het D.C. Circuit doet unaniem uitspraak | De noodverklaring voor Campbell wordt ongeldig verklaard. |
De praktische betekenis zit dus niet in een onmiddellijke landelijke omslag, maar in de grens die het hof trekt: federale noodmacht is bedoeld voor een aantoonbare acute elektriciteitscrisis, niet als vervanging van de normale planning waarmee staten en regionale netbeheerders hun toekomstige stroomvoorziening organiseren.