Mars Odyssey en Mars Reconnaissance Orbiter (MRO) zijn NASA-ruimtevaartuigen in een baan om Mars die het oppervlak onderzoeken en gegevens van missies op de grond naar de aarde doorsturen. Autonomie, reserveonderdelen en extra technische capaciteit helpen beide sondes lang te blijven functioneren, maar hun gemelde verouderingsproblemen verschillen: MRO kreeg in 2025 een bijgewerkte sterrenkaart, terwijl Odyssey een onzekere voorraad stuwstof heeft.
Hoe ruimtevaartuigen bij Mars zelfstandig blijven werken
Marswetenschappelijke sondes kunnen volgens Wired maar één of twee keer per week contact maken. Tussen die contactmomenten moeten de boordcomputers en systemen zelfstandig blijven werken. NASA bouwt volgens Wired ook reserveonderdelen in voor essentiële systemen, zodat een reserveonderdeel de werking kan ondersteunen terwijl technici een storing onderzoeken.
Wired berichtte dat MRO bij de lancering meer batterijcapaciteit en stuwstof meekreeg dan strikt noodzakelijk. Die extra marge geeft ruimte om de missie voort te zetten wanneer het verbruik of de omstandigheden tegenvallen. NASA hoopte volgens Wired in oktober 2026 dat MRO nog tien jaar kon blijven functioneren.
Mars Odyssey kwam op 24 oktober 2001 bij Mars aan. MRO bereikte de planeet op 10 maart 2006, meldde NASA’s Jet Propulsion Laboratory (JPL). Beide sondes sturen gegevens van missies aan het oppervlak door naar de antennes van NASA’s Deep Space Network op aarde. Odyssey observeert onder meer ijs op Mars; MRO volgt veranderende kenmerken van het oppervlak en helpt bij het beoordelen van landingsplaatsen en roverroutes.
De gemelde verouderingsproblemen van MRO en Odyssey
In 2025 stuurden technici MRO een bijgewerkte sterrenkaart, meldde Wired. De sonde gebruikt zo’n kaart als oriëntatiereferentie. Door kleine verschuivingen in de schijnbare posities van sterren kwamen sommige referenties niet meer goed overeen met de waarnemingen van de camera.
Mars Odyssey heeft volgens Wired geen brandstofmeter, waardoor de hoeveelheid resterende stuwstof onzeker is. De sonde gebruikt stuwstof voor kleine aanpassingen van haar oriëntatie. Het team paste de werkwijze aan om daarvoor zeer kleine hoeveelheden te verbruiken.
Wat MRO’s lange waarnemingsreeks opleverde
In een terugblik van 9 maart 2016 meldde JPL dat MRO tegen die tijd 264 terabit aan wetenschappelijke gegevens naar de aarde had gestuurd, meer dan alle andere interplanetaire missies samen. De zes wetenschappelijke instrumenten waren toen nog productief, ruim zeven jaar nadat de oorspronkelijke wetenschappelijke hoofdfase was afgelopen.
JPL meldde in dezelfde terugblik dat de HiRISE-camera ongeveer 2,4 procent van Mars in beeld had gebracht en de Context Camera (CTX) meer dan 95 procent. De spectrometer CRISM had bijna 98 procent van Mars onderzocht met meerdere golflengten van zichtbaar en infrarood licht. Dit zijn de cijfers uit JPL’s terugblik van 2016.
Doordat MRO veranderingen gedurende meerdere Marsjaren kon volgen, konden onderzoekers seizoenspatronen bestuderen, waaronder mogelijke seizoensgebonden vloeibare waterstromen. De beelden en ontdekkingen uit MRO’s eerste decennium komen ook aan bod in deze Engelstalige video van NASA JPL.