Op 30 oktober 2026 verwierp de Divisional Court van de High Court of Justice de bezwaren van Meta Platforms Inc. en WhatsApp LLC, X Internet Unlimited Company en TikTok Information Technologies UK Ltd. tegen informatieverzoeken van Ofcom. De Britse toezichthouder had die verzoeken gedaan op grond van section 100 van de Online Safety Act 2023. De uitspraak R (Meta, X and TikTok) v Ofcom, [2026] EWHC 2779 (Admin) gaat over deze specifieke verzoeken, niet over de wet als geheel.

Welke informatie Ofcom opvroeg

De verzoeken bestreken zes soorten informatie over de platforms:

InformatiegebiedWat Ofcom opvroeg
DefinitiesDe definities die elke aanbieder gebruikte voor de gevraagde gegevens.
GebruikersactiviteitDe totale activiteit op elke dienst, uitgesplitst naar leeftijdsgroep.
ModeratieHet aantal berichten en accounts waarop moderatie was toegepast, de tijd tot ingrijpen en de mate waarin het ging om inhoud die schadelijk was voor kinderen.
Blootstelling aan aangepakte inhoudHoeveel Britse gebruikers, onder wie kinderen, waren blootgesteld aan inhoud waarop was ingegrepen.
Bezwaar tegen ingrepenDe uitkomsten van bezwaren tegen moderatiebesluiten en de tijd die de afhandeling kostte.
GebruikersmeldingenHet aantal meldingen van Britse gebruikers en de uitkomsten daarvan.

De gevraagde periode begon op 1 januari 2024, vóórdat de wettelijke verplichtingen uit de Online Safety Act van kracht werden. Die eerdere gegevens moesten als referentiepunt dienen om veranderingen te volgen. De uitspraak noemde drie deadlines: gegevens over 1 januari 2024 tot en met 31 december 2025 moesten uiterlijk op 15 juni 2026 worden aangeleverd; gegevens over de eerste helft van 2026 op 22 september 2026; en gegevens over de tweede helft van 2026 op 25 maart 2027.

Waarom de rechter de bezwaren verwierp

De rechter maakte onderscheid tussen het transparantieregime van de wet en de informatieverzoeken van Ofcom. Het transparantieregime gaat over publicatie; de verzoeken op grond van section 100 waren bedoeld voor Ofcoms eigen toezichtstaken. De rechter aanvaardde dat de informatie nodig kon zijn voor wettelijke taken zoals het beoordelen van naleving, het herzien van gedragscodes en het doen van onderzoek. Ofcom hoefde niet voor elk gegeven al een concreet toekomstig project te hebben vastgelegd.

Procedureel verliep de zaak in twee stappen. De platforms kregen geen toestemming om hun bezwaren op gronden 1 tot en met 7 verder te voeren. De bezwaren over proportionaliteit en mensenrechten, gronden 8 en 9, werden wel inhoudelijk beoordeeld en afgewezen.

Bij die beoordeling vond de rechter dat de bedrijven de extra kosten en benodigde middelen voor de verzoeken onvoldoende hadden afgezet tegen hun bestaande middelen en regelgevingswerk. Daardoor kon het hof de aanvullende belasting niet goed beoordelen. De rechter vond de ingreep in de rechten van artikel 8, zoals de partijen die erkenden, proportioneel en stelde geen schending van de Human Rights Act vast.