In twee lagen van de Asturische grot El Mazo, gedateerd op circa 9.000 gekalibreerde jaren vóór heden, domineren schaalhorens van het geslacht Patella en de zeeslak Phorcus lineatus. Samen vertegenwoordigden ze ongeveer 88% van het minimumaantal dieren in de lagen. De tellingen geven een beeld van kustverzameling: ze beschrijven resten in een schelpenhoop, niet het aandeel van afzonderlijke voedingsmiddelen in iemands menu.
Welke dieren kwamen in de schelpenhoop terecht?
De studie uit 2017 onderzocht de lagen 114 en 115 en identificeerde daarin 19 diergroepen: onder meer zeeslakken, landslakken, schaaldieren en een stekelhuidige. De schaalhorens en Phorcus lineatus vormden samen het grootste deel van het minimumaantal individuen, een methode om het kleinste aannemelijke aantal dieren in een verzameling resten te tellen.
Ook zee-egels waren aanwezig. Paracentrotus lividus vormde 6,86% van het minimumaantal in laag 114 en 10,04% in laag 115. Die percentages gaan over getelde dierenresten per laag, niet over het aandeel zee-egel in iemands voeding.
Wat zeggen de vindplaatsen over het verzamelen?
Ongeveer 99% van de geregistreerde schelpen kwam van rotsachtige kusten. Op basis van de afmetingen van Patella vulgata schatten de onderzoekers dat ongeveer 75–80% van deze dieren in de lagere getijdenzone was verzameld. Dat wijst op gerichte voedselverzameling langs de kust, op plekken waar de zee bij eb verder terugtrekt.
De onderzoekers zagen aanwijzingen voor intensivering van de schelpdierverzameling, maar geen eenvoudige, gelijkmatige toename. Perioden met intensievere oogst konden volgens hun interpretatie worden afgewisseld met tijd waarin schelpenbestanden zich herstelden.
El Mazo laat zo zien welke kustdieren in de resten van een specifieke vindplaats vertegenwoordigd zijn en waar ze werden verzameld. De dierlijke resten vertellen over voedselactiviteiten op die plek; ze geven geen complete voedingsbalans van een individu.