Op 9 september 2026 verscheen een studie van C. Kotsakis van Aristotle University of Thessaloniki die GNSS-metingen uit 1997–2015 analyseerde. De uitkomst: de vaste aarde werd in die periode geleidelijk minder afgeplat, terwijl de geoïde juist meer afvlakte. Dat zijn verschillende veranderingen, omdat de ene over de geometrische vorm van de vaste aarde gaat en de andere over het zwaartekrachtveld en de massaverdeling.

De vaste aarde en de geoïde zijn verschillende grootheden

De vaste aarde is het vervormbare gesteente van de planeet; de geoïde is een theoretisch oppervlak waarop de zwaartekracht overal dezelfde potentiaal heeft. De geoïde weerspiegelt de verdeling van massa, waaronder water. Daardoor kunnen de geometrische vorm van het gesteente en de zwaartekrachtvorm van de aarde zich verschillend ontwikkelen.

De studie koppelt een geringere afplatting van de vaste aarde aan opheffing bij de polen en daling rond de evenaar. Tegelijk nam de afplatting van de geoïde toe. De resultaten betekenen dus niet dat de aarde in een perfecte bol verandert: het gaat om kleine veranderingen in twee verschillende grootheden.

Wat de GNSS-metingen over 1997–2015 laten zien

GNSS-stations registreren hun positie over langere tijd. Uit de verticale snelheden van die stations stelde Kotsakis een wereldwijd beeld samen. Het uiteindelijke netwerk telde 886 stations.

Gemeten grootheid1997–20002011–2015
Gemiddelde opheffing in de poolgebiedencirca 0,5 mm per jaarbijna 1 mm per jaar
Afgeleide snelheid van J₂0,8 × 10⁻¹⁰ per jaar2,7 × 10⁻¹⁰ per jaar

J₂ is een coëfficiënt die de afplatting van de zwaartekrachtvorm beschrijft. De waarden in de tabel zijn gemiddelden of afgeleide snelheden voor de genoemde perioden, geen jaarlijkse meting van elke plek op aarde. Rond de evenaar werden de verticale snelheden steeds negatiever: de gemeten daling bleef in absolute waarde kleiner dan 1 millimeter per jaar.

Hoe poolopheffing en equatoriale daling samenhangen

Wanneer de polen omhoogkomen en gebieden rond de evenaar dalen, neemt de afplatting van de vaste aarde af. De geoïde volgt een andere maat: die hangt samen met de zwaartekracht en de verdeling van massa over het aarde-oceaanstelsel. Veranderingen in watermassa kunnen daarom de geoïde in een andere richting beïnvloeden dan de vorm van het gesteente.

Dit is een geodetische meting van verticale vervorming op wereldschaal. Ze beschrijft een ander proces dan de beweging van tektonische platen langs grenzen, die onder meer ruggen, troggen en gebergten vormt.

Smeltend ijs kan aan de verandering bijdragen

Een fysisch plausibele verklaring is dat ijsverlies op Groenland en Antarctica de aardkorst onder de poolgebieden ontlast. Tegelijk verplaatst smeltwater zich naar lagere breedtegraden, waar de extra watermassa de druk op de oceaanbodem kan verhogen en aan daling rond de evenaar kan bijdragen. In die uitleg kan ijsverlies bijdragen aan de gemeten veranderingen; het is geen vastgestelde exclusieve oorzaak van het volledige patroon.