NASA’s vergelijking van oceaankleur uit 2025 en 2026 laat zien dat een groengetint gebied in de westelijke equatoriale Stille Oceaan kleiner wordt en een blauwere tint verschijnt. De kaart geeft schijnbare zichtbare golflengte weer, berekend uit metingen van het Ocean Color Instrument op de PACE-satelliet. NASA verbindt het kleurensignaal met minder fytoplankton in het gebied.

Wat NASA's kaart van de Stille Oceaan meet

Het Ocean Color Instrument op PACE meet honderden golflengten in zichtbaar, nabij-infrarood en ultraviolet licht. NASA berekent daaruit een gemiddelde oceaankleur, weergegeven als schijnbare zichtbare golflengte. De vergelijking betreft de westelijke equatoriale Stille Oceaan en laat tussen 2025 en 2026 een kleiner groen gebied en een blauwere tint zien.

Fytoplankton zijn microscopisch kleine organismen die in zee leven en bijdragen aan de oceaankleur. Hun hoeveelheid hangt samen met het licht dat het oceaanoppervlak terugkaatst. De kaart toont daarmee een verandering in een kleurindicator die NASA in verband brengt met fytoplankton.

Hoe El Niño het kleursignaal kan veranderen

NASA beschrijft een mogelijke keten: tijdens El Niño verzwakken de passaatwinden, waardoor minder koud, voedselrijk water uit diepere lagen naar het oppervlak opwelt. Met minder voedingsstoffen neemt de hoeveelheid fytoplankton in getroffen gebieden af; NASA koppelt dat aan het blauwere kleursignaal.

El Niño is een natuurlijk klimaatpatroon waarbij delen van de equatoriale Stille Oceaan warmer worden dan gemiddeld en ook de wind, oceaanwarmte en neerslagpatronen veranderen. Minder fytoplankton kan doorwerken in de voedselketen en ertoe leiden dat zeedieren andere voedselgebieden opzoeken.

Kleur, temperatuur en zeeniveau zijn verschillende metingen

NASA ziet een blauwere Stille Oceaan bij El Niño

NASA rapporteert voor de oostelijke Stille Oceaan een zeewatertemperatuur die ongeveer 1,7 °C boven het langjarig gemiddelde ligt. Dat is een temperatuurafwijking, berekend met gegevens van satellieten, boeien en schepen. PACE levert de oceaankleurgegevens voor de kaart; temperatuur en kleur zijn verschillende metingen.

Ook zeeniveau wordt apart gemeten. NASA gebruikt daarvoor onder meer de radarhoogtemeting van Sentinel-6, die volgens de organisatie de oceaanhoogte elke tien dagen in kaart brengt. In een vergelijking van begin april lagen sommige gebieden 30 tot 40 centimeter hoger dan normaal. Rond Indonesië en Noord-Australië lag het zeeniveau 15 tot 20 centimeter lager dan normaal.

Wat NOAA's kans van 83% betekent

In de bespreking van 8 oktober 2026 gaf NOAA 83% kans dat de driemaandelijkse RONI, de relatieve oceanische Niño-index, in oktober tot en met december 2026 minstens +2,5 °C bereikt. NOAA gebruikt die drempel voor een El Niño die sterker zou zijn dan eerdere gebeurtenissen sinds 1950. Het gaat om een voorspelling voor een specifieke periode en indexdrempel.

NOAA deed daarnaast een afzonderlijke voorspelling: de kans op sterke tot zeer sterke El Niño-omstandigheden bleef volgens de organisatie boven 83% tot en met januari–maart 2027. Bij die omstandigheden worden typische El Niño-effecten waarschijnlijker, maar de gevolgen verschillen per regio.